Vpro laat zien waarom archeologen ons graafwerk nauwlettend volgen
Freddy Elink Schuurman, Dienst Noord/Zuidlijn
Onze graafwerkzaamheden bij het Damrak en het Rokin zijn een buitenkans voor de Amsterdamse stadsarcheologen. Want hier stroomde eens de Amstel en in die rivier is door de eeuwen heen heel wat afval verdwenen, dat op de bodem is blijven liggen. Maar ook dierbare gebruiksvoorwerpen, klootdolken en sierbekers om maar wat te noemen. Het VPRO-programma Labyrint zendt op 30 november een programma uit waarin de archeologen vertellen hoeveel eeuwenoud ‘afval’ ze hebben gevonden – en wat ze hieruit op kunnen maken.
Bouwputten vol geschiedenis wordt op dinsdag 30 november om 21:25 uur uitgezonden op Nederland 2. Kijk voor meer informatie ook hier. Wie het heeft gemist, kan achteraf het programma online bekijken.
En lees hieronder wat de pijpenkop van de foto links ons bijvoorbeeld vertelt:
De dag dat Esaie Estoppey zijn pijp verloor
Onder de meer dan vijfduizend pijpenkoppen die de archeologen bij het Rokin hebben opgegraven, bevindt zich die van Esaie Gijsbertus Estoppey, geboren 1 juli 1817. Dat weten we omdat met potlood zijn naam nog leesbaar op de pijpenkop staat geschreven.
Volgens Jan van Oostveen, expert in historische rookpijpen, gaat het om een ei-vormige stenen pijp die rond 1840 te Gouda werd gemaakt, waarschijnlijk in de werkplaats van Teunis van der Ben of Pieter Jacobus van der Want. Dankzij de archieven en met een beetje fantasie is het mogelijk om Esaie Estoppey nog één keer tot leven te wekken. Hoe kwam bijvoorbeeld zijn pijp in het Rokin terecht, ter hoogte van nummer 93?
Handelsfamilie
Esaie Estoppey was de oudste van de tien kinderen van Gerardus Jacobus Estoppey en Sophie Christiane Frederike Thueré. Hij kwam uit een welgestelde handelsfamilie, groot geworden in de thee, die woonde op Rokin 45, op de hoek van de Sint Pieterspoort (tegenwoordig onderdeel van het Fortisgebouw). Ook Esaie moest handelaar worden. De VOC was weliswaar allang roemloos ten onder gegaan, er viel nog altijd goed geld te verdienen in de handel in koloniale waren.
Tapperij Coerse
Als gehoorzame oudste zoon bereidde Esaie zich waarschijnlijk ergens in 1848 voor om naar zijn oom in Utrecht te verhuizen. Daar zou hij meer over het vak leren. De dag voor zijn verhuizing kleedde hij zich wellicht extra zorgvuldig aan: een hoge hoed, een wandelstok, een horloge en handschoenen, meer accessoires zal hij niet nodig hebben gehad. Zijn pijp hing immers voor hem klaar in de tapperij van mevrouw Coerse, gevestigd onder Esaies woonhuis. Vandaag zou hij daar na het werk afscheid nemen van zijn vrienden, op een borrel trakteren en een pijp met hen roken.
Brokken
Toen hij aan het einde van de middag de tapperij van Coerse binnenliep en om zijn pijp vroeg, die, net als tientallen andere pijpen in het rek voor de stamgasten hing, liet hij zijn pijp bij het aannemen vallen. De kop brak af en de brokstukken vielen op de grond. Esaie haalde zijn schouders op en schopte ze onder de tap. Morgen kocht hij wel weer een andere in Utrecht. In de nieuwe sociëteit waar hij lid van zou worden, zou hij zijn naam weer op de pijp laten zetten.
200.000 vondsten
De barmeid die die nacht het café schoonmaakte, veegde alle troep naar buiten en zoals gewoonlijk zó het water van het Rokin in. De pijpenkop van Esaie Estoppey dreef mee met de stroom, maar bleef ter hoogte van nummer 93 in de modder steken. Honderdzestig jaar later werd hij, als één van de 200.000 archeologische vondsten, bij het uitgraven van het toekomstige station Rokin, opgediept. Essaie zelf overleed op 1 april 1882 in Utrecht. Hij was uiteindelijk boekhandelaar geworden.
szdeg